Home » Blog(s) » Schrijver

Schrijver

Vroeger wist ik het zeker, ik moest het toneel op.

Ik moest zinnen in mijn hoofd en woorden uit mijn mond. Trillen op mijn benen en vliegen door de lucht. Eerst achter de gordijnen en er daarna tussenin. Zweten onder lampen en niemand zien, maar alles horen. Ik moest faam, publiek en artistiek. Wijde broeken, rare haren en in opperste concentratie naar een verte staren.

Zelfs het thuis aankondigen van mijn eerste hoofdrol, heb ik geacteerd. Door eerst te doen alsof het niet gelukt was, en daarna vlug mijn mondhoeken naar mijn oren te trekken. Ik was te blij om het lang vol te houden. En op de première was ik te zenuwachtig om zuiver te zingen. Ik kreeg bloemen toen ik nog geen vazen had en bewaarde mijn schmink tot de volgende dag.

Ik zou hoe dan ook naar de toneelschool en wanneer mij daar gevraagd werd een pruttelend spiegelei te spelen, gewoon een dappere poging doen. Ik zou alles begrijpen en me niet afvragen wat het nut was van slow motion-worstelen en mijn ademhaling zich te laten concentreren op mijn achterwerk.

Auditie doen..

Voor mijn toelatingsaudities heb ik me zo vaak op mijn knieën laten vallen dat ze de kleur van de toneelvloer aannamen. Voor een rol stond ik met mijn hoofd zolang naar één kant dat mijn nek na de repetitie berustte in haar nieuwe positie. Teksten goot ik in melodieën en scripts rolde ik tot kokers. Mijzelf hees in outfits die ik geen enkel mens toewensen zou, van schaatspakken tot jute zakken.

Het was prachtig en afgrijselijk, vaak genoeg stond ik aan de zijlijn met een gezicht als een vraagteken. Begreep ik niet waarom juist ik het niet begreep. Dacht ik na over mijn rechterarm en mijn linkeroorlel en of het volume van mijn stem ten koste gaan zou van de intonatie. Leek er vaak zoveel diepte dat ik er enkel in kon vallen. Begon ik zo hard tegen mijn ambities te vechten dat ze op het laatst niet meer reageerden op mijn boegeroep.

Met als resultaat dat ik aan het einde van mijn opleiding heel voorzichtig via de zijkant van het toneel een trappetje afliep, waar ik op een klapstoeltje een kladblok en potlood vond. En met dat ik opschrijven wilde dat ik bang was en mislukt, maakte mijn hoofd hele andere zinnen. Begon er iets te stromen dat al die tijd achter een dammetje op toestemming had gewacht. Ben ik eerst met mijn tenen, en daarna mijn alles in het water gestapt en op mijn rug gaan liggen. En gaan schrijven.

“Dat ben je al.”

Want soms, soms is het gewoon simpel. Soms is het een andere vorm met een andere uitwerking. Soms is het de reis en niet de bestemming, soms mag je al je bagage achterlaten omdat alles gewoon in je rugzak past. Soms is het een liefde die je optilt en een gezicht dat je begrijpt, een kind dat je knuffelt en hond die zijn hoofd scheef naar je opsteekt. En soms, soms is het een man met een viool en gouden haren die in antwoord op de vraag hoe je schrijver worden kunt, zegt: “Eef, dat ben je al.”